Naar inhoud springen

harmonie

Uit WikiWoordenboek
  • har·mo·nie
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘eendracht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1330 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord harmonie harmonies
harmonieën
verkleinwoord harmonietje harmonietjes

deharmoniev

  1. samenwerking of verband van een aantal zaken tot een welgeordend en aangenaam aandoend geheel
  2. (muziek) aangenaam klinkende vereniging van tonen
  3. (psychologie) rustige evenwichtigheid
     Arabella straalde een kalme energie uit, een harmonie die me tot rust wist te brengen.[2]
     ' Dit uitzicht op een samenleving waarin strijd voor harmonie en concurrentie voor samenwerking zal hebben plaatsgemaakt, wordt echter even ver in de toekomst geprojecteerd als Bellamy dat met zijn utopie deed.[3]
     Daarom introduceert de schrijver van ZZ27 een derde categorie, namelijk 'de leuke woorden die ons in harmonie brengen met het Hemelse Kind'.[4]
  4. de gezamenlijke blaas- en slaginstrumenten in een orkest
  5. harmonieorkest
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  • Leenwoord uit het Nederlands

harmonie

  1. harmonie; samenwerking of verband van een aantal zaken tot een welgeordend en aangenaam aandoend geheel
  2. (muziek) harmonieleer

harmonie

  1. nominatief meervoud van harmonia
  2. accusatief meervoud van harmonia
  3. vocatief meervoud van harmonia


enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  harmonie     l'harmonie     harmonies     les harmonies  

harmonie v

  1. harmonie [1]
  2. (muziek) harmonie [2]; samenklank


  • har·mo·nie

harmonie v

  1. harmonie; samenwerking of verband van een aantal zaken tot een welgeordend en aangenaam aandoend geheel
  2. (muziek) harmonieleer
  3. (muziek) harmonie; aangenaam klinkende vereniging van tonen
  1. shoda v, soulad monbezield, konsenzus monbezield
  2. harmoničnost v
  1. neshoda v, nesoulad monbezield, rozpor monbezield
  2. disharmonie v