Naar inhoud springen

handtas

Uit WikiWoordenboek
  • hand·tas
enkelvoud meervoud
naamwoord handtas handtassen
verkleinwoord handtasje handtasjes

de handtas v / m

  1. (mode) tas [1] die men bij zich draagt voor het bergen van allerlei benodigdheden
    • Ze droeg een handtas met draagriem over haar linkerschouder.[1] 
    â–ļ Rond de in stijl overbeladen kersttafel in het appartement van oudoom Sverre ging het gesprek om te beginnen, dat was bijna onvermijdelijk, over kerst tegenwoordig en vroeger, over hoe de bedienden dapper hadden verdragen dat ze met de kerst moesten werken tegen een geringe vergoeding in de vorm van een niet al te eenvoudig kerstcadeau, een handtas, een zilveren armband, een vergulde broche.[2]
    â–ļ Ik zal het moeten doen met een handtas met mijn paspoort, telefoon, portemonnee en een paar lichte kledingstukken.[3]
    â–ļ ' Mijn moeder loopt naar het bureautje, grabbelt in haar handtas en haalt er een strip Ibuprofen uit.[4]
    â–ļ Wanneer de bloemen en de grijze streep met Emil zijn verdwenen, recht ik mijn schouders, pak de deksel weer uit mijn handtas en draai die weer op de urn.[5]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]
  1. ↑ Politie zoekt paar handige bankkaartdieven, Het Nieuwsblad
  2. ↑
    Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “De tweede doodzonde” (2020), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044645149
  3. ↑
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. ↑
    Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  5. ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  6. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be