Naar inhoud springen

elleboog

Uit WikiWoordenboek
Close-up van een elleboog
  • el·le·boog
  • In de betekenis van ‘gewricht tussen beneden- en bovenarm’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • samenstelling van  el  en  boog  met het invoegsel -e-  [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord elleboog ellebogen
verkleinwoord elleboogje elleboogjes

deelleboogm

  1. (anatomie) gewricht in het midden van de arm dat de bovenarm met de onderarm verbind
     Als Britt-Marie niet meteen lachte, gaf Kent haar een por met zijn elleboog en riep: 'Snap je? Steuntrekker!' Alsof dat het probleem was.[3]
     Toen stootte hij mij aan met zijn elleboog.[4]
  2. iets dat rechthoekige omgebogen is
  • de ellebogen gebruiken
voordringen door anderen opzij te duwen
  • iets achter de ellebogen hebben
plannen verborgen houden, iets in je schild voeren, snode plannen hebben
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]