Naar inhoud springen

oefening

Uit WikiWoordenboek
  • oe·fe·ning
enkelvoud meervoud
naamwoord oefening oefeningen
verkleinwoord oefeningetje oefeningetjes

deoefeningv

  1. activiteit die erop gericht is om een vaardigheid te leren of te verbeteren
    • De oefening bleek toch zwaarder dan gedacht. 
     Sportgeschiedenis functioneert al te vaak als een oefening in nostalgie voor mannen van middelbare leeftijd.[1]
     Op de toneelschool moesten we een keer een oefening doen.[2]
     `De voornaamste oefening voor de jongen bestond daaruit, dat hij de dingen die hij zag en de processen die hij ervoer, moest omschrijven.[3]
  • Het is einde oefening
Het is afgelopen
  • Oefening baart kunst
Men leert iets door het te oefenen
 Iets soortgelijks is, denk ik, wat mijn eigen moeder bedoelt wanneer ze zegt dat de tweede veel minder dan de eerste 'een experiment' is: dat de eerste haar of zijn ouders laat oefenen, en dat oefening kunst baart.[4]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  1. Onno van Nijf
    “Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025312275
  2. “De familie Wachtman” (2006), Ambo/Anthos, ISBN 9789026352508
  3. Hans Achterhuis
    “De erfenis van de utopie” (1998), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9026315244
  4. Lynn Berger
    “De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be