Naar inhoud springen

imiteren

Uit WikiWoordenboek
Drie mannen imiteren het beeld naast hen in het plantsoen naast het stadion.
(Olympische Spelen 1928 Amsterdam)
  • imi·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
imiteren
imiteerde
geïmiteerd
zwak -d volledig

imiteren

  1. overgankelijk doen wat iemand anders doet
     Bij ons vermogen om te imiteren valt dat van dieren in het niet.[3]
     Ze probeert de elegantie van Agnes Meermans te imiteren en streelt met een trillende hand over zijn hemdsmouw.[4]
     wat vaker opstandig en agressief gedrag, waarschijnlijk om dezelfde redenen: wie een oudere broer of zus heeft, heeft van jongs af aan meer ervaring met conflict en rivaliteit, en met het observeren en imiteren van kinderlijke agressie.[5]

{-syn-}}

93 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[6]
  1. "imiteren" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. imiteren op website: Etymologiebank.nl
  3. Luke Burgis
    “Waarom we willen wat we willen” (2021), Xander, ISBN 9789401619004
  4. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  5. Lynn Berger
    “De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be