Naar inhoud springen

handelaar

Uit WikiWoordenboek
  • han·de·laar
  • Afgeleid van de stam van handelen met het achtervoegsel -aar.
enkelvoud meervoud
naamwoord handelaar handelaars
handelaren
verkleinwoord handelaartje handelaartjes

dehandelaarm

  1. (beroep) (handel) iemand die handel drijft
     Maar Meller wist dat als hij zou toegeven dat het antiek was, de handelaar het zwaard en de bijbehorende schijf nooit zou afstaan zonder een enorme som geld.[1]
     'Ik koop de tabak van een handelaar in Virginia.[2]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]
  1. Rebecca Boyle
    “Onze maan” (2025), ZWARTJES & LABOVIĆ, ISBN 9789039100936
  2. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be