Naar inhoud springen

dater

Uit WikiWoordenboek
  • da·ter
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord dater daters
verkleinwoord

dedaterm

  1. persoon die een afspraakje heeft met een potentiële geliefde


  • van date "datum" met het achtervoegsel -er
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dater
datais
daté
eerste groep volledig

dater

  1. overgankelijk dateren [1]; de leeftijd van iets bepalen
  2. onovergankelijk dateren [2]; uit een bepaalde tijd stammen
  3. overgankelijk dateren [3]; dagtekenen; voorzien van een datum
  4. onovergankelijk gedateerd zijn; niet meer gangbaar zijn