Naar inhoud springen

bijzijn

Uit WikiWoordenboek
  • bij·zijn
enkelvoud meervoud
naamwoord bijzijn -
verkleinwoord - -

het bijzijn o

  1. in het ~: in aanwezigheid van iemand
    • In het bijzijn van vrijwel alle ouders zongen de kinderen van het kinderkoor een kerstlied op het toneel. 
    â–ļ Gijs lijkt overal verstand van te hebben en etaleert die kennis graag. Zeker in het bijzijn van andere mannen - Giorgos in dit geval - alsof hij met ze probeert te wedijveren.[1]
    â–ļ Al meerdere malen had Sander hem in het bijzijn van anderen gekleineerd.[2]
97 %van de Nederlanders;
94 %van de Vlamingen.[3]
  1. ↑
    Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  2. ↑ “All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2
  3. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be