arresteer
Uiterlijk
- ar·res·teer
| vervoeging van |
|---|
| arresteren |
arresteer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arresteren
- Ik arresteer.Â
- gebiedende wijs van arresteren
- Arresteer!Â
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arresteren
- Arresteer je?Â
- âļ Arresteer die man, riep de vrouw op jolige toon.[1]
- Het woord arresteer staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.